Slimming down the State: ngo’s, weak states en de outsourcing van publieke dienstverlening

Traditioneel zorgt de staat voor de gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting,... Maar omdat vele landen in het Zuiden daarvoor niet de middelen hebben én het neoliberale denkbeeld net wenst dat de staat zich niet bezighoudt met dergelijke dienstverlening, nemen andere actoren steeds meer de plaats van de staat in. Ngo’s zijn zeer actief in de betreffende sectoren en worden gezien als de ideale speler om de functies van de staat over te nemen.

Echter, het gevaar van staatserosie dreigt. Hoe zwakker de staat, hoe meer staatstaken door ngo’s ingevuld zullen worden. Uiteindelijk zal de staat enkel nog de onpopulaire sectoren, zoals belastingen, als de hare kunnen beschouwen. Een afweging tussen de bijdragen van de ngo’s en de uitholling van de staat dringt zich op.

Posts tonen met het label macht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label macht. Alle posts tonen

donderdag, december 18, 2008

Zijn NGO’s de nieuwe kolonisten?

Bespreking van het artikel ‘The new colonialists’ van Cohen, M. A, Küpçü, M. F. & Khanna, P. in Foreign Policy, juli/augustus, 2008. (maandblad)


Volgens de auteurs van het artikel ‘The new colonialists’ zorgt een allegaartje van internationale hulporganisaties, liefdadigheidsinstellingen en weldoeners ervoor dat bepaalde landen die op de rand van de afgrond staan, niet naar beneden vallen. In deze landen zijn corrupte en zwakke overheden namelijk oncapabel om de basisverantwoordelijkheden zoals publieke dienstverlening, welzijn en veiligheid van hun burgers te garanderen en wordt deze taak steeds vaker overgenomen door een groep van niet-gouvernementele actoren. Deze actoren zijn volgens Cohen, Küpçü en Khanna (2008) dan ook de nieuwe kolonisten van de 21e eeuw.

Volgens deze auteurs sturen de nieuwe kolonisten de ontwikkelingsstrategieën en ontwerpen zij het overheidsbeleid van hun gastheren, net zoals vroeger Europese wereldmachten het beleid in hun kolonies dicteerden. Bovendien versterkt hun aanwezigheid de afhankelijkheid van de betrokken staten. Doordat deze nieuwe kolonisten publieke dienstverlening overnemen slagen veel van de betrokken staten er immers niet in om vaardigheden te ontwikkelen om hun land effectief te besturen of vallen ze terug op het gecreëerde vangnet.
De auteurs benadrukken wel dat afhankelijkheid in de armste gebieden geen nieuw fenomeen is. Wat echter wel nieuw is, is een verschuiving naar een steeds groter aandeel van ontwikkelingshulp afkomstig van private actoren en een afnemend aandeel van hulp afkomstig van overheden en traditionele donoren, wat een verschuivende machtsverhouding met zich meebrengt. Het probleem hierbij is dat deze zogezegde nieuwe kolonisten alle uitdagingen aanpakken die zij nodig achten, met of zonder medewerking van de betrokken staten. Hulp gaat bovendien steeds minder vaak via de overheid van het betrokken land maar verdwijnt steeds vaker rechtstreeks in de geldkisten van de nieuwe kolonisten op het terrein. De auteurs stellen dat dit op concreet niveau bepaalde voordelen kan bieden voor individuen maar het echter ook de reeds zwakke staat kan aantasten. Deze nieuwe kolonisten doen immers vaak niets om te verzekeren dat de staat in de toekomst de mogelijkheden heeft om deze diensten aan te bieden aan zijn burgers. De kolonisten zijn dus mede verantwoordelijk voor een trage en gestage erosie van de verantwoordelijkheid van de staat (Cohen, Küpçü & Khanna, 2008).

Eerst en vooral rijst de vraag: ‘Wie zijn deze nieuwe kolonisten?’ Het valt op dat onder de term van nieuwe kolonisten internationale hulporganisaties, liefdadigheidsinstellingen, weldoeners, etc. allemaal op één hoop worden gegooid. In het artikel worden enkele concrete voorbeelden gegeven, zoals Oxfam, Artsen Zonder Grenzen, Mercy Corps en Bill & Melinda Gates Foundation. Daarnaast werd, ter aanvulling, een lijst gepubliceerd met de machtigste NGO’s op wereldniveau (1). Deze NGO’s zouden een enorme invloed uitoefenen op het bepalen van de ontwikkelingsagenda, op het vormen van beleid en op het veranderen van de wereld. Opmerkelijk hier is dat er geen criteria worden gegeven waarop deze lijst is gebaseerd.
De auteurs verweren zich reeds in het artikel tegen deze kritiek van het op één hoop gooien van uiteenlopende initiatieven door te stellen dat geen enkele van deze actoren bereid is haar werk op die manier uit te voren dat ze zelf overbodig worden. Maar is dit wel zo?
Het argument uit het artikel voor deze stelling is dat zij simpelweg geen voorbeelden kunnen vinden van situaties waarin NGO’s of andere private weldoeners zich terugtrokken omdat de noden waaraan zij probeerden tegemoet te komen er na verloop van tijd niet meer waren.
Ten eerste zijn hiervan, volgens de kritiek gegeven door het Hauser Center for Nonprofit Organisations at Harvard University (2), voorbeelden genoeg. Zo geven zij zelf het voorbeeld van de organisatie CARE die in Afghanistan een watersysteem heeft opgezet en na lobbywerk is overgenomen door de lokale overheid ter plaatse.
Ten tweede willen we ook kort inzoomen op de Parijsverklaring (2005) waarin een expliciete consensus wordt verwoord van ‘nieuwe hulp’. Deze verklaring dient in toenemende mate om de hulp vanuit NGO’s een kwaliteitspush te geven en te stroomlijnen.(3) Een belangrijk uitgangspunt van deze verklaring is dat men zich moet baseren op ‘eigenaarschap’, waarmee men bedoelt dat de lokale organisatie of instelling in het Zuiden zijn eigen lot in handen moet kunnen nemen. Daarnaast stelt deze verklaring dat hulp moet uitgaan van nationale (lokale) prioriteiten en niet van de donor-agenda. Het is duidelijk dat hiermee bepaalde problemen van de sector erkend worden maar met dit akkoord wordt ook een goede stap voorwaarts gezet. De vraag is echter in welke mate dit tot verandering heeft geleid op het terrein.

Door NGO’s en andere private weldoeners gelijk te stellen aan nieuwe kolonisten verwerpen deze auteurs tactloos dat zij oprecht kunnen toegewijd zijn om overheden te versterken en aan te moedigen om hun verantwoordelijkheden te nemen. We willen niet ontkennen dat het gevaar niet bestaat dat NGO’s en andere private weldoeners in de verleiding van zelfinteresse en zelfbestendigheid kunnen vallen. Maar in plaats van het zich bewust onmisbaar maken en het bewust implementeren van afhankelijkheidsrelaties gaat het in bijna alle gevallen om een lastige uitdaging om in de praktijk het juiste evenwicht te vinden tussen verschillende doeleinden.(2)

Het is duidelijk dat deze term ‘nieuwe kolonisten’ vooral dient om de aandacht te trekken en zelfs te provoceren. Maar of de vergelijking tussen vroegere kolonisten en verschillende types van hulporganisaties opgaat, is een belangrijke vraag. We kunnen stellen dat deze vergelijking nogal kort door de bocht gaat. Hoewel er bepaalde gelijkenissen zijn, moet immers worden opgemerkt dat de doelen en waarden achter de opzet van beide partijen volledig verschillend zijn (2). Bovendien zondigen de auteurs, volgens Felice (2008), aan een vereenvoudiging van kolonialisme door het gelijk te stellen aan afhankelijkheid.(4)

Ten slotte geeft deze vergelijking op geen enkele manier een blijk van de toenemende pogingen om deze afhankelijkheidsrelatie af te zwakken zoals bijvoorbeeld blijkt uit de hierboven vermelde Parijsverklaring uit 2005. Volgens Landman (2008) houdt het bovendien geen rekening met de pogingen van deze actoren om mechanismen van aansprakelijkheid te bieden.(5) Deze vergelijking biedt ook geen enkele bijdrage in termen van een oplossing van het gesteld probleem.
-------------------------------------------
Cohen, M. A., Küpçü, M. F. & Khanna, P. (2008, juli/augustus). The new colonialists. Foreign Policy, 74-79.

(1) The List: The World’s Most Powerful Development NGOs. Foreign Policy. Geraadpleegd op 4 december, 2008, op http://www.foreignpolicy.com/story/cms.php?story_id=4364
(2) The Hauser Center for Nonprofit Organizations at Harvard University. NGOs: The New Colonialists? Post op blog ‘Humanitarian and International Development NGOs’. Geraadpleegd op 2 december, 2008, op http://hausercenter.org/iha/archives/18
(3) Nieuwe werkvormen in de ontwikkelingssamenwerking. Geraadpleegd op 4 december, 2008, op http://docs.vlaanderen.be/ontwikkelingssamenwerking/pdfs/vierdepijler/nieuwewerkvormen.pdf
(4) Felice, W. F. (2008). Saving lives: A first step toward freedom not dependence. Geraadpleegd op 3 december, 2008, op http://www.du.edu/korbel/hrhw/roundtable/2008/panel-c/09-2008/felice-2008a.html
(5) Landman, T. (2008). Nothing "Colonial" About It: Service Delivery and Accountability. Geraadpleegd op 3 december, 2008, op http://www.du.edu/korbel/hrhw/roundtable/2008/panel-c/09-2008/landman-2008a.html

maandag, december 15, 2008

De toenemen macht van ngo's in Bangladesh

Om veranderende machtsrelaties tussen staten en ngo’s te bespreken is het handig om een concreet voorbeeld te geven. In deze blogpost zal ik dat doen aan de hand van een artikel over de veranderende machtsrelaties tussen staat en ngo’s in Bangladesh: Haque, M. S. (2002). The Changing Balance of Power between the Government and NGOs in Bangladesh.

Bangladesh is een land met een zeer grote aanwezigheid van ngo’s. Er zouden om en bij de 23000 ngo’s gevestigd zijn in het land (Haque, 2002, p421). Het gaat om een brede waaier aan ngo’s die alle soorten en vormen van ontwikkeling nastreven zoals gezondheidzorg, onderwijs en vrouwenemancipatie. De belangrijkste activiteit van ngo’s in Bangladesh is echter het verstrekken van microkrediet. De wereldwijd bekende Grameen Bank (www.grameenfoundation.org), gesticht door Mohamed Yunus (nobelprijs voor de vrede in 2006), was hierin een voorloper en is nog steeds een van de grootste ngo’s in het land.

De toename van het aantal ngo’s in Bangladesh is begonnen in de jaren ‘80, mede dankzij de pogingen van het militaire regime (1975-1990) om via gecoöpteerde ngo’s legitimiteit te verwerven bij de bevolking. Tegelijk spelen ook de enorme problemen die het land ondervond tijdens en na het militaire regime een rol. Bangladesh neemt de 146ste plaats in op de Human Development Index, 40% van de bevolking leeft in armoede en het is tegelijk een van de dichtst bevolkte gebieden ter wereld (Haque, 2002, p414). Wereldwijd was er een toename van het aantal ngo’s onder invloed van de Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAPs). Die stimuleerden de staat om te investeren in de economie ten koste van activiteiten als onderwijs, gezondheidszorg of bijvoorbeeld watervoorziening. Tegelijk werden ngo’s gepromoot door de Wereldbank als goede partners voor ontwikkeling (Kamat, 2004, p160).

Haque (2002) problematiseert deze terugtrekking van de staat uit de basisdiensten. In Bangladesh heeft dit er volgens hem toe geleid dat ngo’s monopolies zijn gaan ontwikkelen in bepaalde activiteiten zoals kredietverstrekking of gezondheidszorg. Dit heeft gevolgen voor de machtsrelaties tussen ngo’s en de staat op verschillende vlakken. Ngo’s zijn bijvoorbeeld actief in de politieke vorming van burgers terwijl hun eigen medewerkers vaak opkomen bij lokale verkiezingen. Belangrijk om weten hierbij is dat de sector gedomineerd wordt door drie grote spelers die 60 % van alle leden hebben (Haque, 2002, p426). Dit vergroot de mogelijkheden voor ngo’s om het beleid te beïnvloeden, ook als het gaat over overheidsbeleid ten aanzien van ngo’s zelf. Daarbij komt dat ngo’s veel zichtbaarder zijn voor de bevolking in sectoren die voor hen van groot belang zijn. Gezondheidszorg, watervoorziening en kredietverstrekking zijn cruciale diensten voor de arme bevolking.

Financieel worden ngo’s steeds onafhankelijker van de staat omdat ze in toenemende mate winstgevende activiteiten uitbouwen (Haque, 2002, p421). Hoewel ngo’s vaak verondersteld worden niet gericht te zijn op winst, investeren ze steeds meer in bedrijven. Het gaat dan onder meer om bedrijven die koelinstallaties en telefoonsystemen installeren of de overname van noodlijdende overheidsbedrijven (1). Deze winstgevende activiteiten zorgen ervoor dat de staat minder inspraak heeft in hoe het geld van ngo’s besteed moet worden. Tegelijk worden ngo’s door hun omvang en goede imago ten opzichte van de staat belangrijke concurrenten voor het binnenhalen van buitenlandse fondsen. Ook binnen de ngo sector is veel ongelijkheid, zo gaan 60 % van al de buitenlandse fondsen naar acht ngo’s (0,04 % van het totale aantal ngo’s in Bangladesh) (Haque, 2002, p426).

Publieke aansprakelijkheid wordt elders op de blog besproken, maar het is toch belangrijk ook hier te wijzen op het feit dat ngo’s niet aansprakelijk zijn tegenover de bevolking, maar tegenover hun donoren of moeder ngo’s. Niets garandeert bovendien dat ngo’s intern even democratisch zijn als de doelstellingen van hun projecten. Kaderleden worden bijvoorbeeld vaak niet verkozen en de rol van charismatische leiders of stichters is in veel gevallen onbetwist. Hoewel 90 % van alle leden van de Grameen Bank vrouwen zijn, vertegenwoordigen zijn slechts vier tot zes procent van de lokale managers (Haque, 2002, p426).

Haque vat al deze ontwikkelingen samen als het herschrijven van het sociale contract (Haque, 2002, 425). De bevolking kan niet meer via haar stem, hoe minimaal die soms ook is, invloed uitoefenen op het beleid. Zij wordt door deze ontwikkelingen verplicht om te werken via ngo’s waar ze geen zeggenschap over heeft. Dit zorgt met andere woorden voor het depolitiseren van de problemen van de bevolking en met name van armoede. Ngo’s zorgen wel voor basisvoorzieningen maar niet voor structurele veranderingen. Door de diversiteit en onderlinge concurrentie is het zelfs mogelijk dat zij verdeeldheid zaaien onder potentiële bondgenoten voor politieke bewegingen. Illustratief voor de depolitisering van de problemen van de armen is de voorwaarde die hoort bij het eerder vernoemde promoten van ngo’s door de Wereldbank (zie hoger in deze blogpost). De Wereldbank ziet ngo’s als goede partners voor ontwikkeling enkel op voorwaarde dat zij hun politieke karakter verkleinen (Kamat, 2004, p168).

Kamat (2004) heeft het in deze context over de privatisering van de publieke sfeer. Burgers worden onder invloed van deze ontwikkelingen cliënten van een markt met basisvoorzieningen waarop zij in principe recht hebben. Hoewel ze meestal niet moeten betalen voor de diensten van ngo’s hebben burgers geen instrumenten om die rechten af te dwingen. Macht verschuift daarmee niet alleen van staat naar ngo maar ruimer gezien ook van burger naar donor.

Toch is het belangrijk ook de analyse van Haque kritisch te bekijken. Zoals in een andere blogpost (De legitimiteitsvraag van ngo’s) wordt aangehaald moet ook de werking van staten niet worden overroepen. In veel gevallen is de werking van de staat echt ontoereikend en bieden ngo’s een oplossing voor soms levensbedreigende situaties. Ook kunnen zij een belangrijke rol spelen in het emanciperen van arme groepen. De analyse van Haque is echter waardevol omdat ze ons wijst op het gevaar dat ngo’s kunnen vormen door niet-structurele oplossingen te bieden. Staten worden op die manier als het ware verslaafd aan ngo’s en donoren zonder zelf structurele oplossingen te ontwikkelen. Ngo’s worden op die manier zelf structuren waar niemand nog omheen kan. Het volledige systeem van basisvoorzieningen is dan niet afhankelijk van de bevolking van een land, maar van het beleid van donoren. Eens die geldkraan opdroogt staat de arme rurale bevolking van Bangladesh terug bij af.

-----------------------------------------------------------------------------------------

(1) http://www.gdrc.org/icm/summary.html

Haque, M. S. (2002). The Changing Balance of Power between the Government and NGOs in Bangladesh. International Political Review / Revue internationale de science politique, 23 (4), 411-435.

Kamat, S. (2004). The privatization of public interest: theorizing NGO discourse in a neoliberal era. Review of International Political Economy, 11 (1), 155-176.

dinsdag, december 09, 2008

Verschuiving van de macht van de Staat naar de NGO's.

‘Mappings of the power’; waar situeert zich de macht en wie heeft er wat in handen? Dit artikel probeert wat meer duidelijkheid te geven over waar de Staat de macht in handen heeft en waar Internationale Organisaties en NGO’s de bovenhand nemen. Want zoals in de blog hierboven beschreven (Zijn NGO’s de nieuwe kolonisten)(3), moeten we er ons van bewust zijn dat NGO’s in vele derde wereld landen een steeds grotere rol innemen. Wij zullen de verschuiving van de macht beschrijven aan de hand van een case-study in Egypte.

In de buitenwijken van Cairo is er een overvloed aan informele praktijken. Nergens is terug te vinden wat juist van wie is en welke handel wie drijft. Er is geen officiële kaart te vinden bij het Ministerie, noch zijn er op het Ministerie professionele ‘planners’ aanwezig die instaan voor het nauwkeurig weergeven van alles wat er gebeurt. Er is dus doorheen de jaren een enorme kloof ontstaan tussen de officiële documenten die de Staat weergeeft en actuele praktijken. En dit is zeker niet alleen in Egypte het geval, in vele derde wereld landen bevindt men zich in dezelfde situatie. Dit alles is begonnen bij de huisvesting; in de jaren ’70 werkten heel wat Egyptenaren in de Arabische Golfstaten, toen ze terugkeerden, gingen ze op zoek naar huisvesting en bouwden ze huizen. Maar hun geld was gedeponeerd op niet-officiële bankrekeningen. De Staat kneep lange tijd een oogje dicht voor deze informele financiële netwerken, de Staat had een soort van duale relatie met de leiders van deze verborgen economie. Zij hebben er immers in tijd van voedselcrisis voor gezorgd dat er genoeg liquide middelen voorhanden waren. Nadien is er wel een wet uitgeschreven die inging tegen deze netwerken. Zo zijn vele Egyptenaren wel hun spaargeld verloren (Elyachar, 2003).

De informaliteit en de staat kunnen niet volledig los van elkaar bestudeerd worden. De informaliteit is niet enkel een wereld waar armen in leven en proberen te overleven. De informaliteit is in vele landen een cruciale factor voor welvaart en macht, het is met andere woorden een deel geworden van de Staat. (Elyachar, 2003) De Soto heeft de rol van de staat uitvoerig beschreven in zijn boek ‘The other path’. Het is deels door de irrationele staatsregulering dat de informaliteit een zeer grote hoedanigheid blijkt te zijn in verschillende landen. (1) Niet enkel de huisvesting werd een zaak van informaliteit, ook de rest van de economie werd onderworpen aan de informaliteit. Hier hebben de NGO’s een grote rol in gespeeld. Volgens de staat kan de informele sector gelijk gesteld worden aan de privé-sector van de economie, maar het is wel degelijk uitgegroeid tot dé economie van het land. En deze economie is in handen van internationale organisaties en NGO’s. (1).
De staat liet de economie voor een groot deel in handen van de NGO’s, zij probeerden werk te maken van de werkloosheid en voerden structurele aanpassingsprogramma’s in om de economie beter te laten draaien. Om dit te kunnen doen, moet men natuurlijk eerst een zicht hebben wat de economische activiteit in een bepaald land reeds is. En ook hier verschilt de nationale economie, die in kaart gebracht werd door de Staat, danig van de reële economie. Internationale organisaties en NGO’s hebben er vervolgens naar gestreefd om deze economische activiteit in kaart te brengen, wat er voor zorgde dat men een soort ontplooiing van de macht had. Men had een verschuiving van zijnde burger van een staat naar zijnde een individu in een algemene humaniteit. Want vele mensen waren niet opgenomen in de officiële statistieken, maar werden dit wel in de statistieken van de internationale organisaties. Deze statistieken kregen dus ook een belangrijke morele waarde (Elyachar, 2003). McGann en Johnstone hebben dit ook aangekaart; doordat NGO’s de democratisering en het weergeven van juiste informatie hoog in het vaandel dragen, vervullen zij een belangrijke rol voor de burgers in de maatschappij (2). Dit zorgt ervoor dat zij een zeker aanzien en macht verwerven. Vaak botst men op het probleem dat de staat enkel die informatie ter beschikking stelt en publiceert waar ze zelf in geïnteresseerd zijn, deze informatie is dus vaak onvolledig, niet systematisch en onbetrouwbaar. Ook dit heeft Elyachar gemerkt bij het opmaken van de statistieken. Zoals hierboven reeds gemeld, hebben NGO’s vaak een duale relatie met de staat, want de financiering die de NGO’s garanderen en de transparantie waarvoor gezorgd wordt, zijn een belangrijk element voor de vooruitgang van de Staat. (2)

Hierbij kan natuurlijk ook de vraag gesteld worden in welke mate de NGO’s steeds op een legitieme manier handelen, want hier worden de NGO’s naar voor gebracht als de ‘grote redder’ van de economie. Maar dit kan ook langs een andere zijde bekeken worden en ook hier zijn veel kritieken op geformuleerd. De blog "de legitimiteitsvraag van de NGO’s" brengt dit debat naar boven (4).

Om te besluiten, kunnen we stellen dat de lijn tussen de Staat en de NGO’s niet duidelijk getrokken kan worden, deze is vaak verwarder en niet zo gestructureerd dan men zich realiseert. Het uitoefenen van de macht gebeurt door verschillende actoren en op verschillende manieren, met vaak een wisselwerking tussen de verschillende actoren.

-------------------------------------------------------------------------------------------------
Elyachar J. (2003). Mappings of power : The state, NGOs and International Organizations in the Informal economy of Cairo. Comparative Studies in Society and History. Vol 45(3). 571-605

(1) De Soto: The other path: Invisible revolution in the Third World
(2) McGann J., Johnstone M. The Power Shift and the NGO Credibility Crisis.
http://www.icnl.org/KNOWLEDGE/ijnl/vol8iss2/art_4.htm
(3) blogbericht: Zijn NGO’s de nieuwe kolonisten
(4) blogbericht: De legitimiteitsvraag van de NGO’s

woensdag, december 03, 2008

Keeping Africa small









Het bovenstaande filmpje is een trailer van de documentaire ‘Keeping Africa Small’ uitgegeven door WORLDwrite. Meer informatie en achtergrondliteratuur die ik ook in dit blogbericht heb gebruikt, is terug te vinden op http://www.worldwrite.org.uk/keepingafricasmall/

In deze trailer worden enkele kritieken op NGO’s geuit die in bepaalde gevallen ook aansluiten bij de kritieken die hiervoor reeds werden gepost.

Ten eerste wordt in deze documentaire aangeklaagd dat NGO’s zich enkel richten op basisnoden en enkel hiervoor campagnes opzetten. Overleven wordt hierbij als einddoel naar voor geschoven van ontwikkeling. Maar het is echter onjuist volgens de makers van de documentaire om overleven ontwikkeling te noemen (1). Men gaat er dan immers vanuit dat arme mensen arm zullen blijven, hun lot moeten accepteren, hun noden moeten veranderen en hun ambities moeten verminderen. Deze aanpak negeert dat mensen in ontwikkelingslanden ook grote ambities kunnen hebben en houdt hiermee deze mensen tegen om hun dromen waar te maken (2). Een mooi voorbeeld hiervan zijn de Millennium Development Goals die zich enkel naar deze basisbehoeften richten (3).
Door mensen te helpen om net te kunnen overleven suggereert men daarnaast dat het algemene comfort en welzijn zoals die in het Westen wordt ervaren niet mogelijk is voor het merendeel van de mensen in ontwikkelingslanden (1).
Overleven als een einddoel stellen kan tenslotte dodelijk zijn (1). Gebrek aan ontwikkeling in termen van infrastructuur, communicatie en degelijke huisvesting liggen bijvoorbeeld aan de basis van het hoge dodental door de tsunami in 2004.

Deze kritiek op deze ‘survival-only’-gedachte of ‘basic needs’-benadering vinden we ook terug bij Ben-Ami (2005). Hij stelt dat overleven als doel enkel zin heeft als een korte termijn maatregel om het hoofd te bieden aan de plotse impact van onverwachte gebeurtenissen. Ontwikkeling zou echter volgens hem moeten gaan over het transformeren van arme landen naar moderne, rijke landen.

In zijn artikel ‘NGO Behavior and Development Discourse: Cases From Western India’ stelt Ebrahim (2001) dat in de geschiedenis van de internationale ontwikkeling verschuivingen in het denken, het beleid en de praktijk terug te vinden zijn. Waar in de jaren vijftig en zestig een nadruk lag op grootschalige infrastructuur, industrie en landbouw, verschoof de aandacht in de jaren zeventig naar een focus op basisnoden van individuen en families, gevolgd door een aandacht naar participatie, duurzame ontwikkeling en gender in de jaren tachtig en recent naar zaken van economische liberalisering en de ‘civil society’ (Ebrahim, 2001). De basic needs approach die in de documentaire wordt aangehaald is dus één manier om over ontwikkeling na te denken, maar is volgens de makers van de documentaire dominant gebleven. Het is volgens mij belangrijk om af te vragen of dit wel zo is. Als we de Millennium Development Goals (3) bekijken, moeten we in ieder geval ja antwoorden.

Ten tweede wordt in deze documentaire aangekaart dat NGO’s enkel geïnteresseerd zijn in programma’s die zij nuttig achten. De makers van het filmpje willen aankaarten dat Westerse NGO’s zijn opgebouwd rond hun eigen prioriteiten in de ontwikkelingswereld. Deze NGO’s kiezen namelijk zelf wat zij willen financieren en willen schenken overeenstemmend met hun prioriteiten (1). Deze kritiek hebben we reeds aangehaald in het blogbericht ‘Zijn NGO’s de nieuwe kolonisten?’. Waar in dit blogbericht vooral het naast zich neerleggen van de staat centraal stond, wordt hier ingegaan op het feit dat programma’s van NGO’s niet aansluiten bij wat de lokale mensen echt willen. Met andere woorden “their programmes epitomise low horizons and often get up the noses of everyone – from fishermen to shanty town inhabitants – and even make them laugh out loud” (1).
Hoewel Westerse NGO’s het streven naar empowerment en participatie van de lokale bevolking en lokale partners centraal stellen, houden zij de macht in handen en kan men niet spreken van een gelijke invloed (1). Hier komt het probleem van accountability naar boven zoals in het blogbericht 'NGO's en accountability' is aangehaald naar boven. Westerse NGO’s zijn namelijk niet aansprakelijk voor hun daden tegenover hun partners en diegenen die zij trachten te helpen.

Het is nog interessant nog even kort stil te staan bij de oplossing die wordt geboden voor de aangekaarte problemen in de achtergrondinformatie over deze documentaire. Het is hierbij belangrijk te vertellen dat WORLDwrite – de organisatie achter deze documentaire – pleit voor een globale gelijkheid (4). Het doel van deze documentaire is om de barrières en misopvattingen die wij in het Westen hebben en die mensen in ontwikkelingslanden ervan weerhouden om hun eigen dromen te realiseren, uit te dagen (1). WORLDwrite gelooft dat het perfect mogelijk en ook wenselijk is dat mensen in heel de wereld kunnen genieten van een enorme verhoging van hun levensstandaarden. Door te streven naar het beste voor iedereen en het bevragen van beperkingen, zoals het voorschrijven en opleggen van regels en lage ambities, hopen zij de aandacht te vestigen op vrijheid en oprechte ontwikkeling. Zij argumenteren dan ook dat Westerse NGO’s middelen aan de ontwikkelingslanden moeten overdragen en vertrouwen dat mensen het beste weten (1). Met andere woorden zij pleiten voor een vermindering van de macht in het bepalen van de ontwikkelingsagenda en meer invloed van de staat en de lokale bevolking. Zij verwerpen ook de partnerschappen tussen NGO’s en de staat (zie blogpost 'Partnerschappen tussen de staat en NGO's als oplossing?') omdat volgens hen deze partnerschappen net meer externe dominantie inhouden (1)).

-------------------------------------------------------------------------------

(1) http://www.worldwrite.org.uk/keepingafricasmall/faq.html#8
(2) Zie ook een andere documentaire van WORLDwrite: Think Big. http://www.youtube.com/watch?v=hl5Ss3MM57w
(3) http://www.unmillenniumproject.org/goals/gti.htm
(4) http://www.worldwrite.org.uk/whoweare.html

Ben-Ami, D. (2005). Development should mean more than survival. Geraadpleegd op 13 december, 2008, op http://www.spiked-online.com/index.php?/site/article/1534/

Ebrahim, A. (2001). NGO Behavior and Development Discourse. Voluntas International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations, 12 (2), 79-101.