Slimming down the State: ngo’s, weak states en de outsourcing van publieke dienstverlening

Traditioneel zorgt de staat voor de gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting,... Maar omdat vele landen in het Zuiden daarvoor niet de middelen hebben én het neoliberale denkbeeld net wenst dat de staat zich niet bezighoudt met dergelijke dienstverlening, nemen andere actoren steeds meer de plaats van de staat in. Ngo’s zijn zeer actief in de betreffende sectoren en worden gezien als de ideale speler om de functies van de staat over te nemen.

Echter, het gevaar van staatserosie dreigt. Hoe zwakker de staat, hoe meer staatstaken door ngo’s ingevuld zullen worden. Uiteindelijk zal de staat enkel nog de onpopulaire sectoren, zoals belastingen, als de hare kunnen beschouwen. Een afweging tussen de bijdragen van de ngo’s en de uitholling van de staat dringt zich op.

zondag, december 07, 2008

NGO's in Nicaragua: Hot For Profit?







Meer dan 500 NGO’s zijn actief in Nicaragua en nóg slaagt men er niet in om het aantal mensen in armoede te stabiliseren of te verminderen. Het aantal ‘armen’ in Nicaragua stijgt nog steeds elke dag. Dit is toch wel schrijnend nieuws als één van de UN Millennium goals is om het aantal mensen die in honger en armoede leven te halveren tegen 2015. (1)Zoals men in het filmpje kan zien, de UN Millennium goals zijn in 2000 ondertekend door 189 landen die zullen proberen bij te dragen aan het bereiken van deze doelen. In 2006 zijn de 8 rijkste landen opnieuw samengekomen omdat het duidelijk werd dat het misschien een zeer moeilijke taak wordt om dit te realiseren, er heerste dus zeker en vast wat verontrustheid. Op zich zou men kunnen beslissen om het budget dat wordt uitgetrokken voor internationale ontwikkeling te vergroten. Maar als men dan geconfronteerd wordt met dergelijk nieuws zoals in Nicaragua, dan is meer geld geven niet genoeg.

Zijn NGO’s wel effectief? Die vraag kan al eens gesteld worden. Het is duidelijk dat NGO’s niet altijd de interesses van de lokale gemeenschap inwilligen . Het is de bedoeling van de NGO’s om ‘het bieden van hulp’ niet meer noodzakelijk te maken. Ze willen zodanig lokaal de relaties opbouwen dat men zichzelf kan behelpen. NGO’s werken aan een duurzame ontwikkeling, ze proberen in te spelen op de steeds veranderende omstandigheden. (2) Maar zoals men in het filmpje heeft kunnen bekijken, dit is niet altijd gemakkelijk. Want NGO’s mogen dan al aanwezig zijn in grote getale, dit biedt duidelijk niet altijd de garantie om effectief te zijn. In het dorpje in Nicaragua zijn er NGO’s aanwezig die proberen te zorgen voor de watertoevoer bij mensen, maar nog steeds hebben de mensen geen stromend water. En dit is niet te wijten aan een financieel probleem van de NGO’s. De staat, in dit geval de burgemeester, stemt niet in met de grootse werken van de NGO’s, dus bijgevolg hebben de mensen nog geen stromend water. De burgemeester wilt de touwtjes zelf in handen hebben en houden. Hier kunnen we het probleem aankaarten van de partnerschappen tussen de NGO’s en de staat zoals hieronder reeds beschreven. (3) Marka verwoordt het in zijn artikel als volgt; de NGO’s werken samen met de armen en de regering werken voor de armen. Het is dus zeker en vast belangrijk dat deze beiden verbonden worden. Hier heeft men duidelijk ook nood aan in Nicaragua, voor bepaalde zaken dan. Door een samenwerking van de internationale gemeenschap, zoals de NGO’s, met de plaatselijke regering kan men problemen zoals de watervoorziening al van de baan helpen. Maar wat met problemen zoals kinderen die niet naar school willen gaan. Hiervoor is er een duidelijk attitudeverandering nodig en dit kan men niet forceren natuurlijk.

Ook het vertrouwen in de NGO’s is in Nicaragua niet wat het in vele andere landen wel is. We hebben in andere blogs al kunnen lezen dat er een grote machtsverschuiving plaatsheeft van de Staat naar de NGO’s (blog verschuiving van staat naar NGO). In Nicaragua is dit volgens dit filmpje nog niet echt het geval, daarvoor krijgen ze de kans niet van de plaatselijke regering. Ook is het vertrouwen in de NGO’s niet zodanig groot. De NGO’s werken, volgens het filmpje, voor de verrijking van slechts een klein deel van de bevolking.

Dit filmpje is eigenlijk een vrij pessimistisch filmpje, waar natuurlijk zeker en vast een waarheid in zal zitten. Maar dit is ook een soort promofilmpje om te zorgen dat er een attitudeverandering plaatsheeft en dit heeft betrekking op iedereen, ook op onszelf. Er kan zoveel geld gegeven worden als we willen, maar als de houding en attitude niet veranderd worden, zijn we niet zoveel met de vele centjes. In vele landen waar de NGO’s steeds meer macht in handen krijgen, gaan er ook steeds beter aan toe. In Nicaragua zijn er reeds veel NGO’s aanwezig, maar ze hebben nog niet de plaats bereikt die ze zouden willen bereiken. Hier heeft men nog duidelijk niet te maken met een ‘Slimming down the state’. De Staat zorgt ervoor dat ze nog genoeg te zeggen hebben, en dat alles via hun kan gebeuren. Of dit een betere oplossing is, wordt open gelaten voor discussie.

____________________________________________________________________

(1) site: UN Millennium Goals
(2) Artikel Aid Watch: Are NGOs Effective
(3) Artikel Global Policy: Government-NGO partnership, The key to the UN Millenium Goals?

(4) Filmpje Hot For Profit

zaterdag, december 06, 2008

NGO's en internetcensuur

De laatste tijd rijzen meer en meer vragen over de toenemende macht van NGO’s en de daarmee gepaard gaande erosie van de staatsmacht. Maar hebben NGO’s wel zoveel macht? Alvast één methode van NGO-onderdrukking wordt nog door verschillende staten courant gebruikt: de censuur.


Het filmpje “NGO in a box” gaat over internetcensuur.(1) Met de opkomst van het internet kregen NGO’s nieuwe mogelijkheden om te communiceren en zich te organiseren. Maar al snel hadden overheden door wat de macht van het internet was en ondernamen ze stappen: censureren, filteren en monitoring van de informatie en communicatie op het web. Na 9/11 kwam de ‘war on terror’ waarbij (te?) verregaande technieken werden gebruikt om informatie omtrent allerlei organisaties te bekomen. Sommige overheden gebruikten en gebruiken de dreiging van het terrorisme en het beschermen van de algemene veiligheid als excuus om NGO’s beter te kunnen controleren. Vooral NGO's die ijveren voor het respecteren van mensenrechten worden geviseerd. In sommige landen is de controle van het internet dusdanig groot dat NGO’s niet zonder problemen actief kunnen zijn. Bijvoorbeeld China, waar een filtersysteem, het zogenaamde ‘Golden Shield’ of de ‘New Great Wall of China’, werd geïnstalleerd. Een gigantisch aantal werknemers doorzoeken het internet en blokkeren en censureren alles wat niet in de lijn van de communistische partij ligt.

Twee organisaties, Front Line (International Foundation for the Protection of Human Rights Defenders; http://www.frontlinedefenders.org/) en Tactical Technology Collective(http://www.tacticaltech.org) hebben een progamma gelanceerd dat een tegengewicht moet vormen voor dergelijke overheidsacties. Met de software kunnen NGO’s zich beveiligen tegen het toezicht op het internet. De bedoelingen zijn ondermeer dat men in gebieden onder een repressief regime toch toegang kan krijgen tot informatie, dat de efficiëntie van internetblokkades zoals China’s Golden Shield beperkt wordt en dat er minder NGO-medewerkers ten gevolge van censuur en toezicht op het web in de gevangenis terechtkomen.


Zie http://security.ngoinabox.org/html/en/index.html voor meer informatie.

De bezorgdheid die uit het filmpje blijkt, is niet ongegrond. Volgens het ‘OpenNet Initiative’ (ONI), een samenwerking tussen Amerikaanse, Canadese en Britse universiteiten dat onderzoek doet naar internetcensuur, blijkt dat het aantal staten die de toegang tot het internet beperken de laatste jaren sterk gestegen is en dat de hiervoor gebruikte technieken steeds gesofisticeerder worden. Zoals ook in het filmpje wordt aangehaald hanteren staten verschillende argumenten om hun acties te rechtvaardigen, gaande van het verzekeren van de nationale veiligheid over het bewaren van culturele en religieuze normen en waarden tot het beschermen van kinderen tegen pornografie en uitbuiting. Een veel voorkomende werkwijze is het opwekken van zelfcensuur via allerlei vormen van intimidatie, onder andere het dreigen met gerechtelijke stappen maar ook 'informele' vormen van afschrikking. Het toepassen van maatregelen zoals arrestaties leidt er op efficiënte wijze toe dat men terughoudender wordt in het posten van en het surfen naar materiaal dat de aandacht van de autoriteiten zou kunnen trekken.(2)

Enkele van de landen die door ONI aangeduid worden als erg actief wat betreft internetcensuur zijn China, Oezbekistan, Iran, Syrië, Pakistan en Saoedi-Arabië.

Verspreiding internetcensuur op basis van data van ONI (bron: http://opennet.net/)



Het verschilt van land tot land welke informatie overheden het liefst willen tegenhouden, maar het blokkeren van individuele blogs, websites van politieke partijen en sites van NGO’s blijken de populairste doelwitten te zijn. Nog voorbeelden van vaak gecensureerde webpagina’s zijn Google Maps, You Tube en Skype.(3)

Regelmatig verschijnen er ook berichten in de media of vanuit de NGO’s zelf over censuur door staten en dit verspreid over de hele wereld. China is natuurlijk het voorbeeld bij uitstek. Vanaf de eerste stapjes van het internet in China is de overheid overgegaan tot het controleren en censureren ervan. Hierboven werd het Golden Shield al vermeld, een firewall die ongewenste informatie op het internet traceert en blokkeert. Termen zoals 'mensenrechten', 'democratie' en 'vrijheid', worden gecensureerd en leveren bijgevolg geen zoekresultaten op. Verontrustend hierbij is dat internationale bedrijven zoals Yahoo en Google de overheid helpen om dergelijke censuur mogelijk te maken. Veel sites van NGO’s zijn voor Chinezen onbereikbaar gemaakt. China heeft ook een internetpolitie die doelbewust op zoek gaat naar internetovertredingen. Zelfs een internetpetitie ondertekenen, kan verregaande gevolgen hebben indien de internetpolitie het bemerkt. Al meerdere internetgebruikers werden omwille van dergelijke feiten opgesloten.(4) Zimbabwe is een andere grote speler op het gebied van censuur. In 2007 werd een wet ingevoerd die de overheid de mogelijkheid geeft om telefoon-, email- en internetverkeer strikt te controleren, zogezegd om het terrorisme te bestrijden. Het is waarschijnlijker dat de wet gebruikt zal worden om NGO’s en mensenrechtenactivisten te onderdrukken. De specialist in internetcensuur, China, was alvast bereid Zimbabwe te helpen bij de uitbouw van het censuurnetwerk.(5)

Censuur gaat in stijgende lijn en ook NGO’s ondervinden hierdoor hinder. Staten passen censuur toe om NGO’s beter te kunnen controleren. Ook andere vormen van staatsregulering geven overheden die mogelijkheid (zie de blog over NGO's & juridische omkadering). Het valt niet te ontkennen dat NGO’s een steeds grotere rol in de samenleving hebben ingenomen, maar de staat blijft machtiger dan op het eerste zicht misschien blijkt. Het gebruik van de staatsapparaten wetgeving, politie en justitie geeft overheden de tools om de NGO-sector in de hand te houden. De methodes die de staten hierbij hanteren, zijn vaak niet in overeenstemming met de mensenrechten. Ondermeer de vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie worden regelmatig geschonden. Repressieve regimes zoals China slagen er in grote mate in om via regulering en censuur de NGO-werking te bemoeilijken. In dit perspectief valt de macht van de NGO dan ook te relativeren.

(1) http://www.youtube.com/watch?v=isqRKVeYRYI.

(2) http://opennet.net/

(3) Corwin, J. A. (5 juni 2007). World: NGO highlights increasing internet censorship. Geraadpleegd op 17 december 2008 op
http://www.citizenlab.org/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=1151&mode=thread&order=0&thold=0.

(4) Zie de campagne ‘Goud voor Mensenrechten’ van Amnesty International Vlaanderen op
http://www.aivl.be/index.cfm?PageID=3682.

(5) Vanacker, B. (25 juni 2007). Geen geld voor internetcensuur. Geraadpleegd op 17 december 2008 op http://www.mo.be/index.php?id=61&tx_uwnews_pi2%5Bart_id%5D=18459.

vrijdag, december 05, 2008

Partnerschappen tussen de staat en NGO's als oplossing?


In de voorgaande berichten van deze blog staat vooral het debat centraal over de gevaren die kunnen bestaan indien NGO’s in toenemende mate als vervanger van de staat optreden. Zo is er ingegaan op de problemen van accountability van NGO’s (NGO's en accountability), op problemen van legitimiteit van NGO’s (De legitimiteitsvraag van NGO's), op het gevaar van een toenemende afhankelijkheid van staten van deze NGO’s (Zijn NGO’s de nieuwe kolonisten?) en op het depolitiseren van problemen van de bevolking (De toenemende macht van NGO's in Bangladesh). Uit dit debat is in de literatuur een bepaalde opinie gegroeid die pleit voor partnerschappen of samenwerking tussen overheden en NGO’s (zie ook Pfeiffer, 2003; Zafar Ullah, Newell, Ahmed, Hyder & Islam, 2006). In wat volgt willen we graag ingaan op een artikel ‘State, voluntary and private sector partnerships for slum upgrading and basis service in Nairobi City Kenia van Kefa M. Otiso dat kadert binnen deze opinie.

Centraal in dit artikel staat dat een driesectoren partnerschap tussen de staat- (publieke sector), de vrijwillige en private sectoren de beste manier is om tegemoet te komen aan de basisnoden van de bevolking in Derde Wereldlanden – specifiek in dit artikel voor noden omtrent stedelijke huisvesting en diensten. De samenwerking tussen deze partners biedt volgens Otiso (2003) immers unieke en versterkende krachten die de effectiviteit van de partners zou kunnen verhogen. Door samen te werken verzacht men namelijk de zwakheden van elke partner door gebruik te maken van de sterkten van de andere actoren. Bijvoorbeeld waar staatsinspanningen vaak grootschalig zijn maar gelimiteerd in impact, en waar initiatieven van NGO’s vaak een diepe impact hebben maar kleinschalig zijn, kunnen private diensten zowel grootschalig zijn en een diepe impact hebben op voorwaarde dat deze winstgevend zijn en goed geregeld zijn.

Door de sterkten van de partners te benutten om de sectorgebonden zwakten te overbruggen bevordert men dus de efficiëntie en het rationeel gebruik van middelen door het minimaliseren van competitie en duplicatie tussen de drie partners, door het opbouwen van lokale capaciteit en empowerment en door het verspreiden van de beste praktijken in het verlenen van diensten. Met andere woorden, het is een middel om bepaalde, in deze blog reeds vermelde, zwakten van NGO’s (maar ook van de staat en de private sector) te overwinnen. Er zijn volgens Otiso (2003)echter ook nadelen verbonden aan deze sectoriële partnerschappen. Eerst en vooral is het moeilijk om een samenwerking op te starten indien de partners niet dezelfde objectieven hebben. Ten tweede leiden ongelijke partnerschappen tot onderwerping van de zwakkere partners wat verschillende nadelige gevolgen kan hebben.

De mate van betrokkenheid van elke sector binnen zo’n partnerschap kan volgens Otiso (2003) variëren. De reden van samenwerking is echter voor elke partner dezelfde: het verhogen van sterkten en het overwinnen van eigen zwakten door gebruik te maken van de sterkten van de andere sectoren. Iedere partner is dus gebonden om samen te werken door de specifieke voordelen die het hen kan bieden en die opwegen tegen de kosten van deelname aan deze samenwerking. Zo kan de staat aangetrokken zijn tot deelname voor politieke steun en legitimiteit te verkrijgen en voor de bevrediging van bepaalde noden van hun bevolking die het resultaat zijn van deze samenwerking. De private sector neemt deel omdat partnerschappen winstgevende kansen kunnen bieden zoals contracten om bepaalde diensten te verlenen. Tenslotte zal de vrijwillige sector, waaronder de NGO’s vallen, meewerken omdat het zowel concrete als minder concrete voordelen biedt zoals geld, materiele bijdragen, overheidssteun en een zekere goodwill.

Het is duidelijk dat Otiso (2003) een fervente voorstander is van deze partnerschappen (die ook wel PPP's - publiek-private partnerschappen - genoemd worden) in de ontwikkelingshulp. In vele artikels die in dit debat worden gevoerd wordt vooral specifiek ingegaan op de samenwerking tussen NGO’s en overheden. Zo stellen bijvoorbeeld Rosenberg, Hartwig en Merson (2008) dat de relatie met de overheid de duurzaamheid en de bijdrage op lange termijn van projecten van NGO’s kan versterken. NGO’s kunnen omgekeerd nuttig zijn in het helpen van de overheid om hun missie in het beantwoorden aan de noden van armen te volbrengen en kunnen ze de publieke dienstverleningsystemen versterken (Pfeiffer, 2003). Niet alle voorstanders van partnerschappen in ontwikkelingshulp zien dus niet meteen de private sector als partner. Het is echter niet duidelijk in het artikel van Otiso (2003) welke voordelen de private sector precies kan bieden. Wel wordt gesteld dat overheden, donoren en rijke gemeenschappen regelmatig een overeenkomst met deze sector sluiten met om in de nood aan huisvesting, infrastructuur en andere basisnoden te voorzien.

In de literatuur die pleit voor partnerschappen in ontwikkelingshulp bestaat volgens Haque (2004) de neiging om enkel de positieve uitkomsten te benadrukken. Dit zien we ook terug in het artikel van Otiso (2003) waar slechts een kleine, niet-uitgewerkte notie wordt gegeven van mogelijke onderwerping van zwakkere partners. Zelfs diegenen die zich focussen op de negatieve impact zijn grotendeel enkel bezorgd om de ongunstige organisatorische en methodologische uitkomsten van partnerschappen zoals dat deze veel tijd in beslag nemen, dat deze schaarse middelen vereisen voor het opbouwen van vaardigheden in deze samenwerking, etc. (Haque, 2004). Haque (2004) stelt echter dat er ook gekeken moet worden naar de finale doelstellingen van ontwikkeling en empowerment van dit partnerschap. In zijn artikel besluit hij dan ook dat partnerschappen tussen de staat en NGO’s nogal inefficiënt en niet bevorderlijk zijn om doelstellingen van ontwikkeling en sociale empowerment te bereiken.

We willen tenslotte nog even ingaan op de rol van donoren. Bij verschillende auteurs (zoals Campbell, 1996; Brinkerhoff, 2003) vinden we terug dat de rol van donoren cruciaal is in het beginnen aan en opstarten van partnerschappen tussen de staat en NGO’s. Ten eerste omdat zowel de staat als NGO’s afhankelijk zijn van deze donoren. Ten tweede hebben deze donoren relaties met beide partners waardoor deze de communicatie tussen beiden kan faciliteren. Tenslotte spelen donoren een grote rol in de competitie voor fondsen tussen beide partners en kunnen zij deze competitie verzachten en overbodig maken.

-------------------------------------------------------

Binkerhoff, J. M. (2003). Donor-funded government-NGO partnership for public service improvement: Cases from India to Pakistan. Voluntas: International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations 14 (1), 105-122.

Campbell (1996). The potential for donor mediation in NGO-state relations: An Ethiopien case study. Institute of Development Studies. Geraadpleegd op 10 december, 2008, op http://www.ids.ac.uk/ids/bookshop/wp/Wp33.pdf

Haque, S. (2004). Governance based on partnership with NGOs: implications for development and empowerment in rural Bangladesh. International Review of Administartive Sciences, 70 (2), 271-290.

Otiso, K. M. (2003). State, voluntary and private sector partnerships for slum upgrading and basic services delivery in Nairobi City, Kenya. Cities, 20 (4), 221-229.

Pfeiffer, J. (2003). International NGOs and primary health care in Mozambique: the need for a new model of collaboration. Social Science & Medicine 46, 725-738.

Rosenberg, A., Hartwig, K. & en Merson, M. (2008) Government–NGO collaboration and sustainability of orphans and vulnerable children projects in southern Africa. Evaluation and Program Planning, 31 (1), 51-60.

Zafar Ulla, A. N., Newell, J. N., Ahmed, J. U., Hyder, M. K. & Islam, A. (2006). Government-NGO collaboration: the case of tuberculosis control in Bangladesh. Health Policy and Planning, 21 (2), 143-155.

donderdag, december 04, 2008

‘In the Service of All Nations? The Role of NGOs in Global Governance and Society’

Na mijn inleidende blogpost NGO’s en staten, coöperatie binnen een globaal netwerk? heb ik geopteerd voor een verderzetting van een kritisch en genuanceerd perspectief dat zowel staten, NGO’s als de burgersamenleving als actieve actoren beschouwd binnen een zich steeds verder ontwikkelende globale samenleving en het politieke debat dat daar onlosmakelijk mee verbonden is. Voor een beter begrip en meer gedetailleerde toelichting van deze problematiek bespreek ik het filmpje ‘In the Service of All Nations? The Role of NGOs in Global Governance and Society’ van het Princeton Colloquium on Public and International Affairs van 23 en 24 april 2004. Het colloquium had als doelstelling het onderzoeken, analyseren en bediscussiëren van het toenemend belang van NGO’s en de burgersamenleving bij diensten die traditioneel onder de autoriteit van de staat vielen. De twee subthema’s van waaruit deze probleemstelling benaderd werd, waren AIDS en de toenemende rol van NGO’s bij ‘nation-building’. Ik zal me echter enkel focussen op het laatste, namelijk de evaluatie van de implicaties van de toenemende betrokkenheid van NGO’s bij ‘nation-building’ en de effectiviteit van ‘public-private partnerships’ hierbij.

De ‘nation-building’ werd (onder andere) besproken aan de hand van de casus ‘Irak na de val van Sadam Hoessein’. In het filmisch verslag zijn er twee fenomenen die daarbij uitgebreid aan bod komen, namelijk de revival van de burgersamenleving en de samenwerking tussen NGO’s en (Amerikaanse) legerkrachten in de postconflict –context en meer specifiek de gevaren daarvan. De revival van de burgersamenleving wordt beschreven als een essentiële component bij het herstel van de Irakese maatschappij. Het gaat daarbij om groepen die vrijwillig en gezamenlijk optreden in functie van de bescherming en verdediging van algemene belangen en rechten. Ze zullen in toenemende mate op de voorgrond treden en hun stem laten gelden binnen de Irakese politiek en bij de heropbouw en verdere ontwikkeling van hun land. Andere belangrijke actoren die daarvoor mee instaan zijn NGO’s en het leger. In het filmpje wordt niet vermeld over welke nationaliteiten het daarbij specifiek gaat. Het Amerikaanse leger vormt binnen deze context een evidentie, al spreekt men bij algemene besluittrekkingen over NGO’s en ‘military forces’ zonder verdere specificatie. De tweede kerngedachte vanuit deze casus is dus de brugfunctie die NGO’s vervullen tussen legerinstanties van het interveniërende land of organisatie, in dit geval de VS, en de burgerbevolking, in dit geval de Irakezen. NGO’s slaan niet alleen de brug tussen de cultuur van het conflict- of ontwikkelingsland en het interveniërende land, maar ook tussen de militaire en de burgercultuur. Het is vooral de militaire cultuur waar Irakezen zich moeilijk aan kunnen aanpassen. Wat door een soldaat als een gangbare procedure wordt beschouwd, is voor een Irakese burger vaak een teken van gevaar. NGO’s overbruggen deze kloof in zekere mate.

Een belangrijke vraagstelling die hier uit volgt is: hoe dicht kan een NGO samenwerken met de legerinstanties zonder zijn onafhankelijkheid te verliezen en daardoor zelf een doelwit te worden in het conflictland? De burgerbevolking in Irak heeft, aldus de vertegenwoordigers van enkele NGO’s, geen helder zicht en goed begrip van de rol en unieke eigenheid en onafhankelijkheid van internationale humanitaire organisaties. Wanneer NGO’s bovendien nog geëscorteerd worden door het leger, of gebruik maken van dezelfde wagens en zelfs kledij, treedt er verwarring op bij de Irakese burgerbevolking die geen duidelijk onderscheid meer kan maken tussen beide en zich nog meer bedreigd zal voelen. Kidnapping of gijzeling van NGO- medewerkers, alsook het beschieten van hun verblijven, kunnen hiervan het gevolg zijn. Wanneer NGO’s de steun en bescherming van de burgerbevolking genieten, is de kans groter dat ze heelhuids door dergelijke moeilijke tijden van spanning en conflict geraken. Wanneer de burgerbevolking hen echter gaat beschouwen als onderdeel van een militaire operatie of een politiek project dat ingaat tegen hun eigen belangen en interesses, dan is hun veiligheid niet verzekerd. Er bestaat geen eenvoudig antwoord of tegemoetkoming aan deze gevaren. NGO’s hebben namelijk zelf de keuze in hoeverre ze met legerinstanties in zee willen gaan. Reflectie en overleg met alle betrokken actoren kan natuurlijk een eerste stap in de goede richting zijn. Dit impliceert geen noodzakelijke neutraliteit van NGO’s. Wel worden ze verondersteld onpartijdig en onafhankelijk te zijn.

Gezien de duur en uitgebreidheid van de verschillende gespreksonderwerpen zag ik me genoodzaakt me enkel tot de casus nation-building in Irak te beperken. Dit maakt wel dat de besluittrekkingen van het colloquium zeer algemeen zijn en bijgevolg niet direct aansluiten op de hier besproken problematiek. Een eerste eindconclusie is dat er een noodzaak bestaat aan intensieve investering in onderzoek en kennis. Maar al te vaak wordt er ingegrepen in een conflictland zonder een degelijke voorkennis of beperkt men zich tot ‘quick fix solutions’. Een tweede conclusie bespreekt de noodzaak aan een ‘open mind’ en de wil en bereidheid tot rondetafelgesprekken met alle betrokken actoren. Het voornaamste agendapunt daarbij is een duidelijke rolverdeling en –beschrijving. De regeringen van conflict- en ontwikkelingslanden mogen hierbij niet langer genegeerd worden. Heden ten dage treden ze ‘back in the picture’ en eisen ook zij hun rol op.

Na het bekijken van het filmpje meen ik te kunnen stellen dat het colloquium er ondanks zijn klinkende titel toch een vrij eenzijdige visie op nahoudt. Zo wil men de relatie tussen NGO’s en staten bespreken binnen ‘global governance’, maar beperkt men zich tot de relatie tussen NGO’s en de regering van het interveniërende land. De regering van het conflictland komt als actor nauwelijks aan bod. Bovendien vormt de casus Irak niet direct een excellent voorbeeld aangezien het daarbij ging om interventie en nation-building zonder goedkeuring van de VN. Voor een korte reflectie over nation-building of humanitair imperialisme is er geen tijd of ruimte (Chomsky, 2008 & Berger, 2006). Ondanks deze cruciale gebreken en tekortkomingen vormt dit colloquium een mooi praktijkvoorbeeld van zijn eigen besluitvorming, namelijk kennisvergaring en rondetafelgesprekken. En niettegenstaande het feit dat nog niet alle actoren aan bod komen, is het inzicht in de noodzaak ervan toch al in zekere mate aanwezig.

Referentielijst:

Berger, M.T. (2006). From Nation-Building to State-Building: the geopolitics of development, the nation-state system and the changing global order. Third World Quarterly, 27(1): 5-25.

Chosmky, N. (2008). Humanitarian Imperialism. The new doctrine of imperial right. Monthly Review, 60(4).

Raustiala, K. (1997). States, NGOs and international environmental institutions. International Studies Quarterly, 41 (4): 719-740.

Sending, O. J. & Neumann I.B. (2006). Governance to governmentality: analyzing NGOs, states, and power. International Studies Quarterly, 50 (3): 651-672.

Princeton Colloquium on Public and International Affairs. (2004). In the Service of All Nations? The Role of NGOs in Global Governance. Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.youtube.com/watch?v=f9DPkUMZcHE.

woensdag, december 03, 2008

Keeping Africa small









Het bovenstaande filmpje is een trailer van de documentaire ‘Keeping Africa Small’ uitgegeven door WORLDwrite. Meer informatie en achtergrondliteratuur die ik ook in dit blogbericht heb gebruikt, is terug te vinden op http://www.worldwrite.org.uk/keepingafricasmall/

In deze trailer worden enkele kritieken op NGO’s geuit die in bepaalde gevallen ook aansluiten bij de kritieken die hiervoor reeds werden gepost.

Ten eerste wordt in deze documentaire aangeklaagd dat NGO’s zich enkel richten op basisnoden en enkel hiervoor campagnes opzetten. Overleven wordt hierbij als einddoel naar voor geschoven van ontwikkeling. Maar het is echter onjuist volgens de makers van de documentaire om overleven ontwikkeling te noemen (1). Men gaat er dan immers vanuit dat arme mensen arm zullen blijven, hun lot moeten accepteren, hun noden moeten veranderen en hun ambities moeten verminderen. Deze aanpak negeert dat mensen in ontwikkelingslanden ook grote ambities kunnen hebben en houdt hiermee deze mensen tegen om hun dromen waar te maken (2). Een mooi voorbeeld hiervan zijn de Millennium Development Goals die zich enkel naar deze basisbehoeften richten (3).
Door mensen te helpen om net te kunnen overleven suggereert men daarnaast dat het algemene comfort en welzijn zoals die in het Westen wordt ervaren niet mogelijk is voor het merendeel van de mensen in ontwikkelingslanden (1).
Overleven als een einddoel stellen kan tenslotte dodelijk zijn (1). Gebrek aan ontwikkeling in termen van infrastructuur, communicatie en degelijke huisvesting liggen bijvoorbeeld aan de basis van het hoge dodental door de tsunami in 2004.

Deze kritiek op deze ‘survival-only’-gedachte of ‘basic needs’-benadering vinden we ook terug bij Ben-Ami (2005). Hij stelt dat overleven als doel enkel zin heeft als een korte termijn maatregel om het hoofd te bieden aan de plotse impact van onverwachte gebeurtenissen. Ontwikkeling zou echter volgens hem moeten gaan over het transformeren van arme landen naar moderne, rijke landen.

In zijn artikel ‘NGO Behavior and Development Discourse: Cases From Western India’ stelt Ebrahim (2001) dat in de geschiedenis van de internationale ontwikkeling verschuivingen in het denken, het beleid en de praktijk terug te vinden zijn. Waar in de jaren vijftig en zestig een nadruk lag op grootschalige infrastructuur, industrie en landbouw, verschoof de aandacht in de jaren zeventig naar een focus op basisnoden van individuen en families, gevolgd door een aandacht naar participatie, duurzame ontwikkeling en gender in de jaren tachtig en recent naar zaken van economische liberalisering en de ‘civil society’ (Ebrahim, 2001). De basic needs approach die in de documentaire wordt aangehaald is dus één manier om over ontwikkeling na te denken, maar is volgens de makers van de documentaire dominant gebleven. Het is volgens mij belangrijk om af te vragen of dit wel zo is. Als we de Millennium Development Goals (3) bekijken, moeten we in ieder geval ja antwoorden.

Ten tweede wordt in deze documentaire aangekaart dat NGO’s enkel geïnteresseerd zijn in programma’s die zij nuttig achten. De makers van het filmpje willen aankaarten dat Westerse NGO’s zijn opgebouwd rond hun eigen prioriteiten in de ontwikkelingswereld. Deze NGO’s kiezen namelijk zelf wat zij willen financieren en willen schenken overeenstemmend met hun prioriteiten (1). Deze kritiek hebben we reeds aangehaald in het blogbericht ‘Zijn NGO’s de nieuwe kolonisten?’. Waar in dit blogbericht vooral het naast zich neerleggen van de staat centraal stond, wordt hier ingegaan op het feit dat programma’s van NGO’s niet aansluiten bij wat de lokale mensen echt willen. Met andere woorden “their programmes epitomise low horizons and often get up the noses of everyone – from fishermen to shanty town inhabitants – and even make them laugh out loud” (1).
Hoewel Westerse NGO’s het streven naar empowerment en participatie van de lokale bevolking en lokale partners centraal stellen, houden zij de macht in handen en kan men niet spreken van een gelijke invloed (1). Hier komt het probleem van accountability naar boven zoals in het blogbericht 'NGO's en accountability' is aangehaald naar boven. Westerse NGO’s zijn namelijk niet aansprakelijk voor hun daden tegenover hun partners en diegenen die zij trachten te helpen.

Het is nog interessant nog even kort stil te staan bij de oplossing die wordt geboden voor de aangekaarte problemen in de achtergrondinformatie over deze documentaire. Het is hierbij belangrijk te vertellen dat WORLDwrite – de organisatie achter deze documentaire – pleit voor een globale gelijkheid (4). Het doel van deze documentaire is om de barrières en misopvattingen die wij in het Westen hebben en die mensen in ontwikkelingslanden ervan weerhouden om hun eigen dromen te realiseren, uit te dagen (1). WORLDwrite gelooft dat het perfect mogelijk en ook wenselijk is dat mensen in heel de wereld kunnen genieten van een enorme verhoging van hun levensstandaarden. Door te streven naar het beste voor iedereen en het bevragen van beperkingen, zoals het voorschrijven en opleggen van regels en lage ambities, hopen zij de aandacht te vestigen op vrijheid en oprechte ontwikkeling. Zij argumenteren dan ook dat Westerse NGO’s middelen aan de ontwikkelingslanden moeten overdragen en vertrouwen dat mensen het beste weten (1). Met andere woorden zij pleiten voor een vermindering van de macht in het bepalen van de ontwikkelingsagenda en meer invloed van de staat en de lokale bevolking. Zij verwerpen ook de partnerschappen tussen NGO’s en de staat (zie blogpost 'Partnerschappen tussen de staat en NGO's als oplossing?') omdat volgens hen deze partnerschappen net meer externe dominantie inhouden (1)).

-------------------------------------------------------------------------------

(1) http://www.worldwrite.org.uk/keepingafricasmall/faq.html#8
(2) Zie ook een andere documentaire van WORLDwrite: Think Big. http://www.youtube.com/watch?v=hl5Ss3MM57w
(3) http://www.unmillenniumproject.org/goals/gti.htm
(4) http://www.worldwrite.org.uk/whoweare.html

Ben-Ami, D. (2005). Development should mean more than survival. Geraadpleegd op 13 december, 2008, op http://www.spiked-online.com/index.php?/site/article/1534/

Ebrahim, A. (2001). NGO Behavior and Development Discourse. Voluntas International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations, 12 (2), 79-101.

dinsdag, december 02, 2008

Commentaar op "Mediatisering van de Filantropie"

Commentaar op de blogpost Mediatisering van de Filantropie

Een korte aanvulling bij de drijfveren van liefdadigheid vanuit de bedrijfswereld: Bedrijven kunnen dan wel liefdadigheidsschenkingen maken, zij worden hierin tegelijk gestuurd en beperkt door hun streven naar winstmaximalisatie. Filantropie verondersteld per definitie een bepaalde graad van onbaatzuchtigheid en edelmoedigheid en wordt door Katz beschreven als ‘‘applying wealth to the discovery of the underlying causes of personal distress, and to the formulation of strategies to rid the world of such systemic scourges’’ (Katz als cited in Gan, 2006, 217). Terwijl dergelijke altruïstische doestelingen weldegelijk een motivatie kan zijn, is het almaar moeilijker te geloven dat deze de stuwende kracht achter de zogenaamde ‘corporate philanthropy’ vormt. In de literatuur wordt dan ook naar dergelijke schenkingen van bedrijfsmiddelen, verwezen als ‘strategische filantropie’. Er bestaat evenwel veel controverse rond deze uitdrukking en het gebruik van het woord filantropie binnen deze context (Gan, 2006). Want, zoals in deze post eerder al werd aangehaald, als dergelijke schenkingen worden gemaakt uit strategische overwegingen, zijn zij dan nog de naam filantropie waardig? 



Niettemin, wordt het concept strategische filantropie veelgebruikt in de literatuur aangezien de inherente tegenstelling van deze termen illustratief is voor het huidige kapitalistisch systeem. Bedrijven moeten leren contradictorische agenda’s uit te werken omdat zij, in een geglobaliseerde wereld, gedwongen worden te opereren in verschillende milieus en met verschillende stakeholders die elk hun eigen belangen verdedigen (Gan, 2006). 



Grote bedrijven bevinden zich zo in een positie waarbij dergelijke strategische filantropie grote voordelen kan opleveren. Eerst en vooral, kan deze vorm van filantropie gebruikt worden om de marktpositie te verbeteren. Zo kan corporate giving niet alleen name recognition en de verhouding van de consument ten opzichte van het bedrijf verbeteren, maar ook werknemersproductiviteit verbeteren, de kosten voor research and development verminderen en regulatorische hindernissen overwinnen. Strategische filantropie kan op deze manier gezien worden als een positieve impuls met betrekking tot de rentabiliteit van een bedrijf ( Patten, 2008).



Daarnaast kunnen dergelijke schenkingen een zekere invloed uitoefenen op de consument, waardoor goodwill tot stand gebracht wordt aangezien het publiek zelf niet noodzakelijk de link legt tussen deze vorm van filantropie en winstmaximalisatie (O’Connor, Shumate & Meister, 2008). Fombrun en Shanley verwijzen hiernaar als “reputational capital” (Fombrun & Shanley, 1990). Als dusdanig, kunnen deze liefdadigheidsbijdragen betwistbaar geclassificeerd worden als een vorm van politieke activiteit omdat de motivatie achter politieke schenkingen en dergelijke filantropische schenkingen zeer gelijkaardig kan zijn. Dergelijke schenkingen kunnen dienen als een public relationsgebaar en zo helpen om een positief, sociaal verantwoord beeld te cultiveren bij de consument. Hoe meer waarschijnlijk het is dat een bedrijf in contact zal komen met bepaalde regulatorische beteugelingen, hoe belangrijker het is dat een dergelijk bedrijf op goede voet staat bij de consument om goodwill ten aanzien van deze hindernissen te behouden (Fombrun & Shanley, 1990). Bovendien vestigen dergelijke schenkingen een rechtstreekse band tussen het betreffende bedrijf en de NGO ontvangers van de donatie. Dergelijke verhoudingen kunnen dan weer worden gebruikt als politieke hefboom om manoeuvreerruimte te creëren met betrekking tot eventuele regulatorische problemen. Aangezien de politieke oppositie van non-profit organisaties over het algemeen als meer overtuigend wordt ervaren door zowel het publiek als door wetgevers, dan die vanuit de bedrijfswereld (Gan, 2006). 



Hoewel corporate giving slechts een fractie uitmaakt van het bedrag dat wereldwijd aan liefdadigheidsinstellingen wordt geschonken, blijft dit niettemin een aanzienlijke som met een enorm potentieel. Toch moet erop gewezen worden dat men kritisch moet blijven ten aanzien van deze vorm van liefdadigheid aangezien Strategische filantropie, in tegenstelling tot zijn altruïstische wortels, toch vooral gekenmerkt door het eigenbelang van de bedrijfswereld.



--------------------------------------------------------------------------------------------------------------



Fombrun, C. & Shanley, M. (1990). What's in a name? reputation building and corporate strategy. Academy of Management Journal, 33. 233-258. 



Gan, A. (2006). The Impact of Public Scrutiny 
on Corporate Philanthropy. Journal of Business Ethics, 69. 217–236.



O’Connor, A., Shumate, M. & Meister, M. (2008). Walk the line: Active Moms define corporate social responsibility. Public Relations Review, 34, 343–350. 



Patten, D. (2008). Does the Market Value Corporate Philanthropy? Evidence from the Response to the 2004 Tsunami Relief Effort . Journal of Business Ethics

maandag, december 01, 2008

Commentaar op "Identiteit en weerstand in een consumentencultuur"

Dit is een commentaar op het artikel "Identiteit en weerstand in een consumentencultuur" op de blog Anders Globaliseren

“Hoe sociaal verantwoord en hoe groen de producten ook zijn die ik koop, hoe weerbarstig ik mij ook opstel tegenover manipulatieve reclame en de daarmee samenhangende koopwaar, het revolutionaire aspect van mijn verzet zal enkel daarin bestaan dat ik oude marketingparadigmas stilaan mee de laan uitstuur maar deze help te vervangen door nieuwe.”

Ik zou willen reageren op deze zin en het niet zo optimistische besluit van jouw blogposts. Hopelijk kan ik je ook nog wat hoop geven en misschien een klein alternatief.

Het aanpassingsvermogen van de markt is inderdaad groot, ook binnen de ‘groene sector’. Je kan dit zien op de markt van bio-producten. Meer en meer komen de dieet producten, alternatieve geneeswijzen en spiritualiteitsproducten op de voorgrond in biowinkels. In plaats van de basis producten zoals lokaal geteelde groenten en fruit gaan extra luxe producten het beeld van sommige van deze winkels bepalen. Het lijkt wel of de bio winkels op die manier niet af willen van hun imago als zijn te duur en gericht op hoogopgeleide welverdienende middenklasse. Deze extra producten zijn duur en vallen binnen dit marktsegment. In plaats van een basis voor groene economie of andere relaties tussen producenten en consumenten stappen zij mee in het verhaal van reclame en grote bedrijven.

De markt is volgens mij in een zeer basale definitie vooral een (al dan niet fysieke) plaats waar goederen of diensten worden geruild volgens bepaalde conventies. Het is in die conventies en in de werking dan het marktproces dat veranderingen mogelijk zijn. Hierover wil ik kort een alternatief bespreken.

Een goed voorbeeld zijn groentenabonnementen waarbij je lid wordt van een boerderij. Het is beter bekend als community supported agriculture, maar je kan ze ook overal in Gent vinden. Je engageert je om voor een langere periode groenten of andere producten van een boerderij af te nemen. Die boer (ze bestaan echt) wil graag een relatie met zijn klanten die het louter economische overstijgt. De boer of boerin wil de mensen kennen die zijn producten opeten. Hij voelt als het ware de eenzaamheid als landbouwproducent in een globale vrije markt van harde concurrentie. Samen met een gezonde dosis idealisme zijn dit de uitgangspunten voor sommige boeren om op andere manieren met de markt om te gaan.

Het gaat nog steeds om een producent en een consument, maar door middel van participatie, begrip, elkaar wederzijds kennen en bepaalde vormen van samenwerking wordt de puur financiele relatie, afhankelijk van manipulatieve reclame doorbroken en veranderd in een meer menselijke relatie.

Ik denk dat dit soort ‘samenwerking’ tussen producenten en consumenten een zeer concrete oplossing biedt voor de macht van de markt. De markt wordt gereduceerd tot wat ze in principe is, een interactie tussen producent en consument zonder tussenschakels.